Hoe de grootste ongelijkheid onzichtbaar blijft in zichtbare cijfers.
De Nationale Bank publiceert een studie over inkomensongelijkheid in België.
Op het eerste gezicht een waardevol rapport — tot je merkt dat het grootste deel van de ongelijkheid er gewoon niet in staat.
De studie houdt geen rekening met inkomsten uit offshoreconstructies, met miljarden die jaarlijks wegglippen naar belastingparadijzen, of met de fiscale achterpoortjes die wijd openstaan voor wie weet waar de klink hangt.
Bovenaan de inkomenspiramide vind je mensen met gemiddeld 430.000 euro per jaar die opvallend weinig bijdragen aan wat sociale solidariteit heet — maar dat gegeven verdwijnt in de methodologische marges.
Wat de studie evenmin in kaart brengt, is de rol van wat je fiscale architectuur kunt noemen: een eliteklasse van juristen, lobbyisten en accountants die wetten mee helpen schrijven, gaten creëren in regelgeving, en zo zorgen dat de grootste ongelijkheid structureel buiten beeld blijft. Wie de wet mee opstelt, hoeft ze zelden te vrezen.
Dat patroon is niet uniek voor België. In heel Europa zien we hetzelfde mechanisme: officiële rapporten die de werkelijkheid gedeeltelijk beschrijven, en daardoor impliciet legitimeren wat ze weglaten. Een studie die belastingparadijzen negeert, meet niet de ongelijkheid — ze meet de ongelijkheid die men bereid is te meten.
De rijkste 1% betaalt relatief minder. Wie weinig heeft, betaalt alles — inclusief de servicekosten van een systeem dat hen structureel benadeelt.
Dat is geen perceptie. Het is gedocumenteerde werkelijkheid, ook al staat het zelden in de samenvatting van een rapport van de Nationale Bank.
